Het eind komt in zicht.

Ik ben er heelhuids doorheen gekomen, ik voel me goed, maar met mijn kopman gaat het niet al te best hoor ik via de ploegleiding in mijn oortje.

Hij zit achteraan in een  groep 3 intussen en heeft veel last van de eerdere valpartij. Zij koersbroek geeft aan dat het een flinke klap geweest moet zijn, want de losse fladderende kledingstukken geven flinke schaafwonden aan op zijn bovenbeen. Deze zijkant is met bloed doorlopen en de medische hulp van de organisatie heeft ook al diverse “schoonmaakbeurten” gedaan om zodoende de wonden tegen erger te voorkomen. Met veel pijn en moeite kan hij het volhouden om de groep te volgen, maar ik vrees dat het wellicht einde koers voor hem zal gaan worden. Dit wordt nog eens bevestigd als de ploegleiding doorgeeft dat hij verschrikkelijk afziet en dat er ook nog een gekneusde rib aan wordt toegevoegd.

Is al dit werk dat ik tot nu toe voor hem heb verricht dan helemaal voor niks geweest?

Ik krijg er nauwelijks de tijd voor om daarover te denken, de volgende reeks van kasseistroken kondigt zich al weer aan. Ik ploeter maar door en voel er eigenlijk niks meer voor om deze lijdensweg nog verder af te leggen, maar het moet.

We naderen intussen de 200 kilometergrens en eigenlijk voel ik me nog steeds goed, ondanks de opgedane ontberingen. Er ontstaat een soort triomf in mijn bovenste waardoor ik weer moed krijg, nu zal ik het halen ook, ongeacht de uitslag.

Zelfs als mijn kopman straks wellicht uit zal stappen zal ik deze strijd overwinnen, de keien zijn mijn grootste vrienden geworden.

Door deze positieve inslag gaat deze strook voelen als een gewoon zandweggetje waarover ik heen dender, een roes van onoverwinnelijkheid gaat mijn brein en lichaam beheersen. Het geeft me rust, ik voel de stenen aan als mijn vrienden waarmee ik op stap ga, mijn benen, mijn spieren voelen soepel aan, doorgaan nu, niet opgeven.

Even later verneem ik dat mijn kopman inderdaad de strijd heeft opgegeven en in de bezemwagen is gestapt. De ploegleider geeft aan dat ik nu “vrij man” ben en mijn eigen koers mag gaan rijden. “Maak er maar wat van, nu kun je laten zien wat je kunt, de wielerbaan in Roubaix moet haalbaar zijn, maak de koers maar hard, laat die grote molen maar draaien” is zijn relaas..

Deze woorden klinken mij als muziek in de oren, mijn inzet om goed te finishen wordt er alleen maar mee vergroot.

Weer zit een “onherbergzaam” gebied er op en de regen heeft intussen ook opgehouden en een zwak zonnetje komt door de wolken. Besmeurd, nat en koud van de regen trap ik verder op weg naar het eindpunt, maar het pechvogeltje slaat toe, een lekke band.

Pechduiveltje verschijnt.

Minuten moet ik wachten op de materiaal wagen, waardoor ik de aansluiting met de kopgroep verlies. Al balend van dit ongemak wordt mijn achterwiel gewisseld en komen de echte kleppers voorbij stormen, want de koers is nu echt losgebarsten.

De favorieten kijken elkaar aan, ze hebben uiteraard geen oog voor mij, laat die sukkelaar maar aan de kant staan, het is nu aan ons lijken ze te zeggen. Als een wervelwind zijn ze ook uit het zicht verdwenen en ik stap intussen op mijn fiets, gedesillusioneerd en wel, daar gaat mijn mooie klassering. Ik “zit” nu op enkele minuten van de leiders, maar een plaats bij de eerste dertig zit er nog altijd in. Het blijkt namelijk dat hele groepen de strijd hebben opgegeven en er nog maar zo’n kleine vijftig dapperen in de wedstrijd zijn overgebleven. Die zullen hun jacht op de favorieten wel opgegeven hebben, dus besluit ik maar bij hen aan te sluiten. Zo zal Carrefour de L’Arbre een stuk gemakkelijker gaan en kan ik het straks op een sprint laten aankomen, als ik geen tegenslag meer krijg.

Mijn weemoed maakt op deze manier plaats voor opluchting en mede gedragen door het langs de kant staande publiek met hun aanmoedigingen kom ik deze inzinking weer te boven. Ik voel me niet “opgeblazen” en kan zodoende als een echte wieltjesplakker mijn positie innemen. Op deze manier hoef ik ook niet “vierkant” te rijden en zal ik de man met de hamer ook niet tegenkomen.

Er zit verstand in deze groep want na een aantal woordenwisselingen besluiten we gezamenlijk de verdere route aan te pakken en dus bij elkaar te blijven. Laat de prijs van de overwinnaar maar aan de anderen over, die zijn toch uit het zicht verdwenen.

Zij hebben ons een “flinke patat gegeven” want onze achterstand is al opgelopen tot een dik kwartier, maar wat deert ons dat.

Het rondraaien gaat mij toch wel wat moeilijk af en ik constateer dat met het verwisselen van het achterwiel mijn derailleur aanloopt. Snel de ploegleider met de mecanicien geroepen, die met wat  kunst en vliegwerk, al hangend uit de auto, de “malheur” oplost. Ik voel dat meteen en na een korte tussensprint achter de volgwagens neem ik mijn plaats in “onze” groep weer in.

Carrefour de L’Arbre, las but not least.

Daar zijn we bij “de Carrefour”, ook hier liggen de stenen dus weer als het ware erin gegooid. Echter dit is geen vergelijking met “het bos” en ondanks het feit dat ik “Ollander” ben, wordt ik door de Belgische supporters met op de vlag de Vlaamse leeuw, met hart en ziel aangemoedigd.

Het overwinnen van deze strook gaat me gemakkelijk af en het voelt als een remontage na al die slechte ogenblikken van voorheen. Om in wielertermen te spreken, ik voel me niet “achterstevoren op dit stalen ros zitten” en ik hoef me zo ook niet “het snot voor de ogen” te rijden.

Zodoende kan ik ook nog gemakkelijk mijn laatste stukjes taart oppeuzelen en ook nog een aantal slokken nemen van de sportdrank uit mijn bidon.

Mijn pijp raakt dus niet echt leeg en als dank voor de afspraak met de groep, neem ik ook nog voor een kilometer het kopwerk over. Ik zie mijn “ploeggenoten” dankbaar knikken, zo kunnen zij ook recupereren.

Het gaat toch hard vooruit en we naderen de vélodrome, het is nog maar een kilometer of tien.

Toch begin ik nu, op het laatst van de koers, de vermoeidheid van alle inspanningen te voelen. En alsof de duvel er mee speelt, ik word nog geflikt ook. Er springen enkele renners weg uit mijn groep, ondanks de gemaakte overeenkomst om dit niet te doen. Wat een linkeballen zijn het toch, wat een verraders, met een Zoetemelk demarrage, zie ik ze langzaam uit mijn gezicht verdwijnen. Straks na de finish zal ik ze wel even van “katoen geven” deze “dappere Dodo’s ”, al besef ik wel dat dit “gedonder” wel vaker voor komt. Niks is heilig in de koers, maar wat een matennaaiers zijn dit.

Kort daarop dringt het besef tot me door van “laat ze maar” mijn dag kan niet meer stuk, ik heb het wonder van Parijs-Roubaix volbracht. Ik neem wat gas terug en laat de benen verder het werk doen, ze mogen nu niet meer verzuren met de eindstreep zo vlak in zicht.

Roubaix, hier ben ik.

De laatste kasseistrook in de straten van Roubaix geven mij weer vleugels en uiteindelijk kom ik, onder luide toejuichingen van het publiek, het stadion op de wielerbaan binnen. Een spurt zit er niet meer in, uitbollen dus maar en ik draai de anderhalve ronde die ik nog moet doen op mijn kousenvoeten” af. Na de finishlijn word ik opgevangen door de verzorgers en ploegleiding die mij complimenten geven voor deze prestatie.

De titanenstrijd tegen de ontberingen is volbracht en ik voel me gelukkig en als overwinnaar al eindig ik slechts op plaats 35, maar ik heb het “gemaakt”.

Naderhand hoor ik, nadat ik een verfrissende douche heb genomen, dat slechts 2 renners van de ploeg de barre tocht hebben volbracht. Volgend jaar maar weer en wie weet dan in een sterkere ploeg waarbij het maandelijks honorarium ook is toegenomen.  Ik heb nu mijn best gedaan, weer een ervaring rijker. Dit was Parijs-Roubaix, aan uw Hilversum.

Hans Meesters

 

De Servais Knaven Classic op social media