Deel 2

Het beruchte bos.

Het asfalt voelt, na de eerste moeilijke hobbelweg, aan als een verademing, heerlijk bollend  gaan we/ik op weg naar de volgende keienpassage. Ik kijk achter me en constateer dat we nog met een vluchtersgroep zijn van 10 renners, inclusief mijn persoon. Ik moet erkennen, ik ken ze niet, ze zijn wel van verschillende ploegen, het peloton volgt, na informatie van de motard met het gele bord al op vijf minuten, dat gaat snel.

Het is de tactiek van de ploegbaas zullen we maar zeggen om zo vroeg al in een ontsnapping te zitten en de reclame voor de sponsor is mooi meegenomen.

Op het asfalt peddel ik rustig mee en dat geeft ook mijn “boordcomputer” aan, mijn hartslag verminderd zienderogen.

Zo dat heb ik in ieder geval al voor elkaar besluit ik in mijn bovenste, nu nog volhouden en wellicht de voorsprong uitbouwen.

De tweede kasseistrook kondigt zicht aan en ik besluit toch flink door te fietsen, vlak achter degene die de groep aanvoert.

Met het welbekende elleboogteken tot overname van de kop geeft hij aan dat ik ook mijn beurt niet mag overslaan, dus nu helemaal op kop en flink doortrekken.

De “steentjes” voelen meteen aan als een soort wasbord, maar dan veel en veel onregelmatiger waarbij ik af en toe het gevoel krijg dat mijn bandjes als een harmonica in elkaar worden gedrukt. Soms voel ik de velg in mijn “onderste”  met daarbij allerlei gedachten die u wel kunt raden. Na zo’n 300 meter geef ik aan dat de volgende aan de “touwtjes”moet trekken, met andere woorden overnemen a.u.b..

Ik besluit om gewoon “mee te draaien” en tot mijn verbazing, ondanks al dat gebonk op de boerenkarrensporen, loopt onze voorsprong uit tot 10 minuten. Het is nog steeds droog, de “weg” is wel wat stoffig, maar zonder al teveel energie te verspillen moet ik toch ook deze “2e fase” doorkomen. Dat wordt dus mijn tactiek en door mijn oortje hoor ik de ploegleider zijn complimenten uitspreken, al zal me dat eigenlijk een zorg wezen. Hij zit daar lekker in zijn autostoeltje in een goed geveerde wagen, hij heeft, denk ik, nergens last van.

Doorfietsen dus op de kasseien, we zullen wel zien waar het schip strandt.

Deze manier van denken en doen blijkt goed te werken, want na weer enkele kilometers van afzien is de 2e gevreesde “dokkerweg” ten einde. Ik heb tot nu toe altijd op het midden van dit “berg en dal” gereden, zoals ook aangeraden door eerdere “liefhebbers”. In de gootjes rijden heb ik vermeden, want de stof waait alle kanten uit en zou mijn gezichtvermogen ernstig belemmeren. En zoveel voordeel levert het nu ook niet op, want je weet maar nooit met al die kuilen die daar (kunnen) liggen en je totaal als een gelanceerde raket kunnen bewerken.

Het gaat dus boven verwachting tot nu goed en de afwisseling van kassei naar Frans asfalt  heeft nog niet geleid naar het “uitdoen van mijn jas”(wielerterm voor het gaat niet meer).

 

We zijn er bijna.

Met veel gevoel voor “understament” pakken we als kopgroep de volgende kasseistroken aan en we helpen elkaar daar overheen zoals dat als “kameraden” moet.

Ik weet echter(en ook mijn medevluchters) dat het ergste nog moet komen, dus zo gewoon is het eigenlijk nu ook weer niet. We vrezen natuurlijk allemaal het mytische Bos vanWallers-Arenberg.

Dit soort “weg” is in deze wedstrijd wereld beroemd geworden en sinds korte tijd ook weer opgenomen in het parcours.

Het spookt in mijn hoofd hoe ver we nog verwijderd zijn van deze “carrousel van ongemak”. Via het oortje hoor ik dat het nog zo’n 2 kilometer is totdat we daar zijn en zie tegelijk op het “verkeersbordje (rood met wit) dat het inderdaad zo is. Mijn groepsgenoten gaan beseffen dat binnenkort  de beroemde, maar oh zo gevaarlijke kasseistrook er aan komt, ook zij worden zenuwachtig en eten nog wat.

Een paar nemen nog een slok uit de gesponsorde drinkbeker welke daarna zonder pardon in de kant wordt gedeponeerd.

Nog nooit had ik het bos “geproefd” en ik begin me dus steeds meer zorgen te maken. Moet ik nou op het midden van deze keienweg rijden, moet ik de zijkant opzoeken over het min of meer smalle gootje, of moet ik schots en scheef er maar overheen? Wat een kwelling in mijn hoofd, mijn benen dreigen op slot te slaan, mijn kuiten worden als kabels gespannen. Hoe erg zal het zijn, mede gezien het gegeven dat ik nu toch al wat stroken positief achter mij heb gelaten, maar dit ?

Ik prent me in dat ik goed moet letten op grote gaten in het “wegdek”, op ongelijke stenen, modder, gladheid, kortom eigenlijk allemaal teveel om over na te denken.

Ik neem een spurtje naar voren om zodoende vooraan te zitten en daarmee valpartijen, wellicht veroorzaakt door mijn voorganger, te voorkomen.

In stilte verwens ik in mijzelf het moment dat ik besloot om beroepscoureur te worden, wat een onzinnig beulenwerk is dit zeg.

Het spandoek “Secteur 17 Wallers-Arnberg”  is daar ineens plotseling eerder dan ik had verwacht. Het regent intussen ook nog eens flink, verdorie ook nog die gladheid erbij, hoe kom ik er doorheen?

Ik prijs “ons lieve Heerke” dat ik tot op heden nog zonder lekke banden of valpartij deze kilometers ben doorgekomen. Ik heb intussen wel vernomen dat mijn kopman nog steeds in het peloton volgt op een minuut of acht en wel een “chute” heeft gemaakt vanwege een ondoordachte beweging van een renner. Die zal al wel flink gevloekt hebben al wachtend op de materiaalwagen van de ploeg en die zat ook al flink achteraan. En ik hier maar “mijn kloten er af draaien”, een wielerterm die zoveel wil zeggen dat ik mij opoffer voor hem. Even later hoor ik dat hij er een flinke snok aan heeft gegeven en zijn plaats weer heeft ingenomen in de meute van “dwangarbeiders”. Vooruit dan maar, er zit altijd nog een kans in dat hij een mooie prijs kan rijden, al is onze ploeg niet sterk en al twee uitvallers telt.

Het klinkt een beetje ongeloofwaardig, maar de adrenaline in mijn bloed zwelt op en geeft mij een “boost” om door te gaan. Ik hoop geen kramp te krijgen, daarom “stoemp” ik maar rustig door, niet te zwaar niet licht verzet.

De ellende.

Voordat ik er erg in heb “betreed”ik “het bos”, ik blijf meedraaien vooraan, niet omkijken dat kan valpartijen veroorzaken en letterlijk “in het wiel rijden” van de “aanvoerder” van onze groep. Het rammelt, het knotst, het doet pijn in mijn armen, mijn nieren zullen intussen wel ergens boven mijn ribben zitten, afzien, afzien, afzien.

Ik voel de keien als een soort vijand onder mij, met een flinke beet op mijn tanden ga ik, neen, moet ik door, de snelheid moet ik er in houden. Hoe harder je over deze “Calavarieberg” dendert, hoe minder de kans tot vallen zich opdoemt.

Hoe is het toch mogelijk dat deze route ooit is aangelegd, zo schots en scheef, het lijkt wel of ze de stenen er  gewoon maar in hebben gegooid, van stratenmakers hadden/hebben ze blijkbaar nooit gehoord. Zouden dit nou echt gedaan hebben met in gedachten die tijd dat hier de belangrijkste wielerkoers ooit overheen zou gaan rijden? Ik kan het me niet voorstellen, het is gewoon, op verzoek van de organisatie van P/R het opzetten geweest van een extra hindernis, noem het maar een soort  hinderlaag waarin mening ongeoefend coureur in trapt.  Mensonwaardig is het, maar net zoals in de Romeinse tijd geldt ook hier ”Geef het volk brood en spelen”en ze zijn stil en genieten van andermans ellende.

We zitten nog met de groep bij elkaar en mijn voorganger zie ik het modderpaadje kiezen, ik volg hem dus maar puffend en verwensend tegelijk. Vanwege de neergutsende regen is dit een soort zuigarm van een octopus geworden, want mijn tubes verdwijnen in het zwarte zand en zuigen zich vast, doortrappen, doortrappen.

Ik mag mijn scherpte niet verliezen, ik spring met de moed der wanhoop maar weer op de gladde  puntige kasseien. Een poging die zich laat vergelijken met een dubbele salto in de trapeze in het circus zonder vangnet, riskant dus.

Met gespannen been en kuitspieren lukt het me nog ook om zonder “kleerscheuren” op het “rechte pad” te komen.  En tot mijn grote verbazing  is ook nog mijn snelheid constant gebleven, waar haal ik dit vandaan?

Maar ik moet door en merk intussen dat ik aan kop zit van de groep, de eerdere “sleurder” proest en worstelt zich door de nattigheid van het modderpaadje, dat gaat niet makkelijk, vandaar dat ik nu het kopwerk mag verrichten.

Ik stuiter maar door, kilometers lang, het schijnt maar niet op te houden deze, eigenlijk,  onnavolgbare lijdensweg, totdat plotseling, zonder dat ik er erg in heb, ik weer op asfalt rij. Het is voorbij, het zit er op, wat een prestatie, alleen al voor mezelf.

Hoe is het mogelijk dat ik hier  mijn “Waterloo” niet heb gevonden, ik voel me een klasbak op dit moment en ook nog eens geen mechanische stukken of valpartij.

Ik heb de koers dus echt hard gemaakt met mijn geest en lichaam, nu weer wat rustiger aan, wat drinken, wat eten en wachten op mijn medegenoten, kunnen we samen verder. Hierna nog 10 te gaan van die martelpartijen, dat moet lukken, maar hoe is het met mijn kopman en de zijnen?

Volgende keer deel 3

HansMeesters

 

De Servais Knaven Classic op social media