Deel 1

Kasseien, kasseien en nog eens kasseien.

Dit wordt een gefingeerd verhaal over een willekeurige profwielrenner die als (meester)knecht deelneemt aan de “Hel van het Noorden” oftewelParijs-Roubaix.  De tocht der tochten die het gehele wielervolk begin april bezig houdt over de Franse “Secteurs Pavé ”. Het troosteloze landschap van Noord Frankrijk waar  de verwoestende “grote oorlog 14-18” plaats vond met aanvoer der troepen op zand en grindwegen, later vervangen door de ons welbekende “kinderkoppen”. 

Onze coureur is bezoldigd met een minimum loon in een kleine ploeg,  die “ bij de gratie Gods” van monsieur Prudhomme een wild card verkreeg tot deelname aan deze vol ontberingen tellende klassieker. Karakteristieke barre weersomstandigheden wachtten, zoals regen, gladde modderige stroken van ongeplaveid wegdek, valpartijen.  Kortom bonken, bonken bonken,  met de hoop, besmeurd en wel, na gedane arbeid met succes voor de kopman, heel op de wielerbaan van Roubaix aan te komen.

 

Vroeg in de morgen / Het is zover.

Gisteren, na een “proefrit” over 50 kilometer gedokker over het parcours in de late namiddag weer aangekomen in ons hotel inCompiègne. De weersvoorspellingen zijn niet al te best, veel nattigheid en constant “de wind van voren” op kop dus, zullen vandaag parten spelen om zo wie zo overeind te blijven en waarnodig mijn rol te kunnen vervullen. Het is vroeg op, de wekkerradio ging om 5.00 uur af , slaperig stap ik uit bed en kijk naar buiten. Het is nog donker en met tegenzin hijs ik mij in mijn trainingspak, de echte koerskleding komt later wel, eerst ontbijten met alle ploegmakkers.  Toch even naar buiten waar de temperatuur nog onder nul is, maar van regen nog geen spoor te bekennen, houwen zo.

Na de groepsbespreking en volle maag het wedstrijdtenue aangetrokken,  ondershirt tegen de kou en transpiratie,  beenstukken, mouwstukken, volle handschoenen, enz., afijn “klaar is Kees” voor de start.

De ploegleiding heeft mij op het hart gedrukt om meteen met de eerste ontsnapping mee te gaan om zodoende de kopmannen niet het werk te hoeven te laten doen. Het is ook goed voor de sponsor, want de hele gang van zaken zal op t.v. worden uitgezonden. Ik heb goed gegeten, want de eerste ravitaillering  zal pas na de eerste 80 kilometer zijn. Drank heb ik ook genoeg in mijn bidon zitten en met wat extra voeding (mueslirepen e.d.) in de rugzak zal het wel goed komen.

De mecanicien heeft de laatste controle over mijn fiets achter de rug, waarbij nog eens extra de bandenspanning werd gecontroleerd. Hierover bestaan nogal wat verschillende meningen, maar ik hou het op 5.0 voor en 5.2 achter, net zoals Servais Knaven (eens winnaar en goed bekend in Etten-Leur) mij dat voorgehouden heeft. Zal wel goed zijn denk ik, want tenslotte moet je het toch zelf doen met de benen, hoe goed de fiets ook geprepareerd is. Intussen is de lucht langzaam overgegaan in een wat lichtere trend, al dreigen er nu ook wel donkere wolken de boel nu al te gaan verstieren.

Bij de startplaats aangekomen is het een komen en gaan van ploegleiders en materiaal wagens, die voor de plaatselijke bevolking als een soort wekker dienen. Een wirwar van, vol van adrenaline zittende coureurs, toeterende auto’s (nu al) , journalisten, supporters, gendarmes op de motor, kortom een compleet circus voltrekt zich aan mijn ogen. De wedstrijdcommissaris verzoekt ons om onder het vertrekbanier plaats te nemen, een gekrioel van jewelste ontstaat. Eindelijk, ja eindelijk na dit zenuwengedoe klinkt het startschot en we zijn op weg, de barre 256 kilometer tegemoet. Het zal afzien worden, want boven mijn helm gloort de zon wel een klein beetje, maar vanuit het noorden stapelen regenwolken zich op. Dat zal niet lang meer duren of het gaat plenzen en dat nog maar in het begin, zonder de gevreesde “ongelijke leggers”. De temperatuur is intussen ook niet om ”over naar huis te schrijven” , 2 graden boven nul, nog steeds koud dus. Maar goed dat ik dubbele kleding heb aangetrokken met een doorzichtig regenjack  daar over heen, zodat de merknamen van mijn “geldschieter” goed te zien blijven. Mijn sportzonnebril van een bepaald merk, weerkaatst, met de prille,waterige zonnestralen in de ochtendlucht,  mijn snelheid en hartslag op de getinte glazen vanaf mijn stuurcomputer.

 

Op weg.

Al vanaf de eerste kilometer is het tempo dermate opgevoerd, boven de 45 kilometer per uur, dat ik  nu al begin te puffen en te blazen. Nu nog rijden we op goede wegen, er lijkt helemaal niks aan de hand, al zal dat straks wel anders worden. Ik bevind me in de voorste rijen van het peloton aan de zijkant van de weg, waar ik plots mijn ploegleider zie opdoemen. Nu zou hij mij wel via mijn oortje een en ander kunnen influisteren, maar hij prefereert het oogcontact met mij. Hij geeft aan dat de rechtstreekse t.v. uitzending over enkele minuten zal beginnen, dus “vooruit met de geit”.  Met een paar flinke inspanningen op het grote verzet, dring ik mij naar voren en zie nog juist op tijd dat er een groepje weg rijdt. Ik ga er achteraan en voel de spanning in mijn kuiten toenemen, mijn diesel is op gang gekomen. Dankbaar maak ik gebruik van mijn voorganger die de ontsnapping van mij meedraagt, want achter zijn rug “peddel” ik mooi mee tot aan de nu geformeerde kopgroep. We zijn nog op het asfalt, maar de camera’s snorren al, nog een paar kilometer tot de eerste kasseistrook.

Noord Frankrijk ligt nog op een oor, want tijdens de passages door de troosteloze dorpjes is nog niemand op straat, de gordijnen of luiken zijn nog gesloten.

Daar is ie dan de eerste strook van de “verdoemenis”, ze liggen er op het eerste gezicht nog redelijk goed en droog bij.

Echter, direct  op de eerste kasseien lijkt het of de eerste wereldoorlog wederom is uitgebroken. Mijn fiets krijgt het, eveneens als ikzelf, meteen zwaar te verduren, wat een ellende, nu al en het echte werk moet eigenlijk nog beginnen, 27 stroken, kilometers lang.  Mijn bovenarmen voelen aan als trillend wespenblad, mijn drinkbus knalt bijna uit de houder, gevloek en getier van renners om me heen, hobbelen en “kaatsen” op een bijna onbegaanbare weg, kortom de koers is begonnen. Ik hou me gedeisd achter de eerste man, goed mijn handen op het stuur (niet in de beugel) , mijn positie afbakenend zodat de achter mij rijdende “stuiteraar” niet in mijn wiel kan rijden. Uiteraard wil ik daardoor een valpartij voorkomen, want een sleutelbeenbreuk of een nog ergere  kwetsuur, daarvoor ben ik niet hier. Achter ons groepje zie ik al een renner afhaken, hij kijkt radeloos om zich heen en denk bij zichzelf ”wat doe ik hier, waar ben ik aan begonnen”. Zover is dat in mijn hersenpan nog niet doorgedrongen, dat mag ook niet, doorgaan is de boodschap, meegaan dus. Als we straks aan het laatste ongeplaveid bezig zijn, dan hoop ik dat mijn werk er al lang opzit en dat mijn kopman hiervan heeft kunnen profiteren. Het gaat me nog steeds redelijk af, al dat gedoe rondom mij, daar trek ik me maar niks van aan, ondanks al dat doorheen geschud en de rammelkast die mijn vehikel voor moet stellen. Trillingen, klapperen van armen en benen, handen professioneel los op het stuur, het gaat allemaal nog net. Mijn versnelling trap ik nog met gemak rond, het grote mes staat er op, maar ik voel het (nog) niet in mijn benen.

Eigenlijk zit die eerste “hel” er al snel op en komt de Macadam weg weer in het vizier van mijn rennersbril.  Nog 26 te gaan, nu even recupereren, wat drinken en mijn eerste vaste voedingsreep verorberen voordat nummero 2 er aan komt.

Volgende week deel 2.

Hans Meesters

De Servais Knaven Classic op social media